20/02/2025 Interview Tijdschrift Cultuur & Criminaliteit

SIGNIFICANT OTHERS

Paul Ponsaers over de ‘tegendraadse criminologie’

Marc Cools

 

We spreken Paul Ponsaers (PP) bij één van onze gebruikelijke etentjes in Gent. We (MC) weten al lang wat hij vermoedelijk gaat bestellen en met meer dan een bourgondische appetijt ook wel zal doen smaken. Hetzelfde gaat ook voor ons op. Ons gebruikelijk restaurant ‘xxxx’ schotelt altijd de beste spijzen en dranken voor. Zo hoort het nu eenmaal in ons land. Zonder dit collegiaal en vriendschappelijk genoegen kan de criminologie immers niet bestaan. Ja toch ?

 

In 2012 verscheen het ‘Liber Amicorum Paul Ponsaers’. De titel sprak en spreekt nog steeds voor zich. ‘Tegendraadse Criminologie’[1]. Zelf, toen nog als jonge en leergierige student criminologie begin de jaren ’80 aan de Vrije Universiteit Brussel, leerden we Paul kennen onder zijn journalistennaam in De Morgen. Het was ‘PP’. Punt uit. Later bleek achter deze ‘PP’ een Doctor, een Professor Dr. Paul Ponsaers en een vriend en collega Paul verscholen te zitten. Zijn schrijverstalent dito volume kende en kent nog steeds geen grenzen en zet altijd aan tot  lezen . Kortom, het werd tijd om Paul op te nemen in onze reeks ‘significant others’.

MC: Je werd geboren op 13 maart 1952 te Wilrijk, een randgemeente van Antwerpen, en liep er school. Heb je goede herinneringen aan je schooltijd en uit welk familiaal nest kom je ?

 

PP: Het lager onderwijs volgde ik in Wilrijk, bij de “nonnen”. Het middelbaar volgde ik aan het Sint-Lievenscollege en later aan het Sint-Lodewijkinstituut, beiden in Antwerpen gelegen. Ik kom inderdaad uit een gematigd katholiek nest, hoewel mijn ouders zelden een voet in de kerk hebben gezet, uitgenomen voor een begrafenis of een huwelijk. Zo was dat toen.

Aan mijn ouders heb ik de beste herinneringen. Vader Fernand (1924-1989) was een zelfstandig handarbeider. Hij bewerkte glas- en marmer, een  echte ambachtsman. Het was een heel stil man, van weinig woorden, met schoppen van handen. Een warme teddybeer. Hij verloor zijn ouders bij het laatste bombardement op Antwerpen. Hij had toen broers noch zussen, ooms noch tantes. Hij is dan als eenzame jongeman met een bakfiets door de straten getrokken om alle vensters, die tijdens de oorlog waren vernield, te vervangen. Hij heeft als het ware zijn leven van nul terug moeten opbouwen, op zijn 18 jaar en heeft altijd keihard gewerkt. Ik heb daar steeds bijzonder veel respect voor gehad. Mijn moeder Maria (1922-1983) heeft hem steeds gesteund. Beiden zijn op relatief jonge leeftijd gestorven, vader op zijn 65ste, moeder op haar 61ste.

De laatste jaren van mijn middelbare studies werd ik erg actief in de studentenbeweging en werd  wat rebelser. Het was de periode rond Mei ’68 en ik vond dat ik eraan moest bijdragen. Dat heb ik ook gedaan, met het organiseren van stakingen op school en fabrieksbezoeken. Mijn ouders hebben me  daarin altijd gesteund. Mijn klastitularis was er echter ronduit tegen, tot ik mijn agenda naar zijn hoofd heb geslingerd toen hij er een bemerking in wilde schrijven, gericht aan mijn ouders. Dat heeft ertoe geleid dat ik van school moest veranderen. ‘t Ja, zo was dat toen. Ik heb het me nooit beklaagd hoor.

 

MC: Op basis van wat koos je om je studies sociologie en later ook nog criminologie aan te vatten en dit aan de toenmalige Katholieke Universiteit Leuven ?

 

PP: Mijn vader hoopte dat ik zijn zaak zou verder zetten en moedigde me aan om glasramen te leren beschilderen. Hij wilde me naar Firenze sturen om  voor een jaartje in het vak te gaan. Maar ik had tijdens mijn middelbare studies al het plan opgevat om sociologie te gaan studeren. Ik wist nauwelijks wat het was, maar ik wist wel dat het een studierichting was die me meer zou bijbrengen over de samenleving. Achteraf bedacht ik dat een jaartje in Firenze wel leuk zou geweest zijn, maar ik bleef koppig vasthouden aan mijn eerste keuze.

Eerlijk gezegd liet het me steenkoud waar ik die opleiding zou volgen, maar de waarheid gebiedt me te zeggen dat veel van mijn vrienden naar Leuven getrokken zijn, zo ook mijn oudere broer, die geneeskunde ging studeren. Ik ben hen dan gevolgd. Ik heb het me nooit beklaagd.

De interesse in criminologie is later ontstaan. Tijdens de opleiding sociologie moesten we twee richtingen kiezen waarin we wilden specialiseren. Ik heb  geopteerd voor arbeidssociologie, waar ik kennis maakte met professoren als Jan Bundervoet en Lode Van Outrive en met de medische sociologie. Tijdens de lessen van toenmalige prof. medische sociologie, Ivo Nuyens, groeide mijn interesse in de “afwijkende mens” en de psychiatrie. Het is via die weg dat ik uiteindelijk criminologie ben gaan studeren als tweede richting. Het is wellicht geen toeval achteraf gezien. We zaten immers volop in de anti-autoritaire richting. Het was de tijd van de antipsychiatrie. Daarenboven besloot Lode Van Outrive in die periode op vraag van de toenmalige rector van de KULeuven over te stappen van de sociologie naar de criminologie. Het was voor mij een logische conclusie.

Ik was intussen gehuwd en had een eerste kind. Niet zelden ging ik met de kinderkoets naar het college. Mijn ouders hadden het niet echt breed en ik kluste dikwijls bij om bij te dragen aan het gezinsbudget. Ik heb dan besloten beide studierichtingen tegelijkertijd te volgen in de licenties. Dat was niet evident, zeker niet wanneer het examenperiode was. Ik vloog van het ene examen naar het andere tijdens dezelfde zittijd. Ook als ik mijn licentiescripties (dat waren er toen twee dus) moest afleggen was dat niet evident. Ik heb dat allemaal in de eerste zittijd geklaard, voor beide richtingen. Waanzin was het. Bij het laatste examen ben ik letterlijk in mekaar gestort. Maar het is me gelukt.

 

MC: Hoe omschrijf je de opleiding, cursussen, professoren, assistenten en examens destijds ?

 

PP: ’t Ja, het was wel fundamenteel anders. De sfeer op de campus was volkomen anarchistisch, kritisch en libertijns. Tijdens seminars gaven studentes hun baby’s de borst terwijl we verder discussieerden. Als mijn dochter begon te huilen stormde ik de trappen van het auditorium op om haar te sussen. Het kon allemaal. Eén van de plichtvakken in de sociologie was Marxistische Sociologie. Een fantastisch vak, maar vandaag nog nauwelijks denkbaar als plicht vak. Maar, het vormt je wel. Je werd haast verplicht tot een eigen synthese te komen. De afstand tussen lesgevers en studenten bestond eigenlijk niet. Ik heb altijd erg veel respect gehad voor diegenen die kritiek op hun functioneren accepteerden. Er werd keihard gedebatteerd, met argumenten die hout sneden.

 

MC: Was Leuven toen een andere stad dan het toch wel veel mooiere Antwerpen ?

 

PP: Om eerlijk te zijn heb ik er weinig van gemerkt. Leuven leek soms wel een bezette stad. Een stad die overrompeld werd door een studentenbevolking die groter was dan de Leuvense inwoners. Van het “studentenleven” heb ik  niet zoveel genoten. Ik zal meestal achter mijn cursussen, in colleges of zat te klussen in het rekencentrum van de universiteit. Veel tijd restte er niet. Ik was me er steeds erg van bewust dat vader grote inspanningen deed om mij die kansen te bieden en wilde me dan ook niet laten afleiden door al teveel studentikoze aangelegenheden. Overigens, de paar vrienden die ik vandaag nog heb uit die studententijd stonden daar precies hetzelfde in.

 

MC: In het voor zeer velen ‘beruchte jaar’ 1968 was je zestien jaar oud. Was deze: ‘the times they are a-changin’ van invloed op je studiekeuze om de sociologie bij de horens te pakken ?

 

PP: Ik zei het al: volmondig ja. Het was het logische gevolg van de toenmalige tijdsgeest. Maar, om het heel eerlijk te zeggen, ik zou vandaag precies dezelfde keuzes maken.

 

MC: Begrijp je de kritiek op het jaar 1968 vandaag en hoe keek je naar je studenten en promovendi voor wie het toch wel allemaal lang geleden was ? Heb je ze kritisch bij de les kunnen houden ?

 

PP: Natuurlijk begrijp ik de kritiek op Mei ’68. Vooral het extreemlinkse terrorisme vanwege de Rote Armee Fraktion, Action Directe, de Brigate Rosse, tot dat van de CCC in ons land, is daar een geperverteerde uiting van. Het is dat spoor dat ook is voortgekomen uit die periode, en dat dood en vernieling heeft gezaaid, overgoten met een hoop rationaliseringen en legitimeringen die kant noch wal raakten.

Maar Mei ’68 had ook – en vooral – tal van aantrekkelijke en positieve kanten. De gouden jaren ‘60 waren het product van een historische uitzondering, een illusie als het ware. Een kapitalisme zonder crisis, waarin economische groei werd gecombineerd met algemene tewerkstelling, sociale vooruitgang en meer vrije tijd. Het was de tijd van een generatie met overspannen levensverwachtingen, van de babyboomers na de donkere oorlogsjaren. De Mei ’68 studentenprotesten hebben de wereld van vandaag in grote mate veranderd, meestal ten goede. De rigiditeit van de samenleving werd op de korrel genomen door de jeugd, op zoek naar emancipatie, met de opkomst van de rock-and-roll, de vrije liefde, de lange haren en de mini-jupes.

De beweging verplichtte de vermolmde structuren om te moderniseren en te democratiseren en bracht een nieuwe vitaliteit in het onderwijs, de kunst en de media. Koopkrachtige en hoger opgeleide jongeren lieten hun stem horen in verzet tegen betutteling en traditie. Een generatie die van welvaart welzijn wilde maken. Zij droegen ook de nieuwe sociale bewegingen, zoals de vrouwenbeweging, de roze beweging, de groene beweging, de onderwijsvernieuwing, de derdewereldsolidariteit, de kritiek op het consumentisme, anders gaan leven, tot de krakersbeweging en ga maar door. Weliswaar een lappendeken zonder veel samenhang, met tal van inherente contradicties, maar wel één dat indringend het wereldbeeld van niet enkel de jongeren van toen heeft bijgesteld. Met Mei ’68 moesten de dromen ingelost worden. De slogans in die tijd vertalen zich in anti-autoritarisme (“Het is verboden te verbieden”), in een roep om een inclusieve samenleving (“Nous sommes tous des indésirables”). Een groter contrast met wat er vandaag speelt rond de migratiestromen kan je je niet voorstellen.

 

MC: Je ging vroeger op emeritaat dan het gebruikelijk is. Nam je afscheid van de veranderende academische omgeving of wou je vooral tijd om veel en grondig te schrijven ?

 

PP: Het ging om beide zaken die je noemt tezelfdertijd.

Ik was het enerzijds beu om tot 22 uur per week les te moeten geven, die lessen voor te moeten bereiden (hetgeen je minstens evenveel tijd kost), onderzoek te verwerven en onderzoekers te motiveren en “on track” te houden (reken daarvoor maar gerust nogmaals dezelfde tijd), tal van beheersopdrachten te moeten vervullen in ontelbare praatbarakken (die rekensom heb ik nooit gemaakt), … om dan ’s avonds  achter je klavier te kruipen om de obligate artikels, hoofdstukken en boeken te schrijven die van jou verwacht werden. De tijd die je restte om precies die dingen te schrijven waarover je zélf wenste te schrijven ging uit met het licht  als je rond 3.00h – 4.00h ’s nachts de schakelaar omdraaide. Gelukkig waren er de weekends nog om opgelopen achterstand op te halen. Het waren waanzinnige toestanden gewoonweg. Het spreekt voor zich dat een dergelijk leven op de duur heel ongezond is, en je geen tijd meer hebt voor de partner en voor vrienden. Een sabbatical leave? Heb ik nooit meegemaakt. En dat alles omdat een soort van ratrace werd georganiseerd op “punten” in een concurrentiestrijd tussen collega’s. Men las niet wat je schreef, men “scoorde” het. Het leken eerder boekhouders dan bewakers van de kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Intussen lijkt dat soort van uitputtingsslag grotendeels achter ons te liggen, maar die tijd heb ik jammer genoeg nooit mogen meemaken. Gelukkig voor de huidige generatie.

Anderzijds groeide bij mij de wens om inderdaad aan die dingen toe te komen die ik écht interessant vind. Na mijn afscheid aan de universiteit heb ik me toegelegd op een oude liefde, met name politiek geweld. Het was het onderwerp van mijn beide scripties tijdens mijn studies sociologie en criminologie. Maar ik had  nooit tijd me erop toe te leggen. Na mijn emeritaat heb ik me er voluit in geworpen. Sindsdien heb ik verschillende boeken kunnen schrijven over het thema[2]. Vandaag werk ik een manuscript af over linksextremisme. Eindelijk heb ik tijd om me voluit op dit thema te werpen.

 

MC: Ooit hadden we zelf lang, mooi en zwart haar. Vandaag is het heel wat minder. Hoe slaag je er in om je lange, nu ook wel grijze, haar zo netjes en lang te behouden. Is dit een ‘statement’ ?

 

PP: Oh, daar heb ik nooit bij stil gestaan. Een statement is het alvast niet. Ik denk dat mijn echtgenote dat leuk vindt en dat is voor mij genoeg reden om het zo te dragen. Niks achter zoeken. Het spaart tijd die ik anders bij de kapper moet doorbrengen.

 

MC: Er was eens een tijd dat bijna iedereen rookte. Het ‘Kaffee und Zigaretten’ was schering en inslag. We blijven ‘hard core’ gebruikers. Is de sigaret een deel van je intellectuele identiteit geworden ?

 

PP: Nu je het zegt, dat zou wel eens zo kunnen zijn. In ieder geval ben ik nooit van die sigaretten kunnen afblijven. Na talloze pogingen heb ik het opgegeven en praat ik mezelf niet langer een schuldgevoel aan. Als ik schrijf, dan rook ik. Aangezien ik van ’s morgens 8.00h tot ’s avonds 19.00h schrijf, rook ik veel. Inderdaad. Overigens deed ik dat ook op mijn kantoor aan UGent, hoewel dat ten strengste verboden was. Iedereen deed alsof ze het niet wisten, kwam in mijn bureau roken waar het  dampte  als een schoorsteen.

De koffiezet van de onderzoeksgroep stond op mijn kantoor. Als iemand een koffie wilde, moest hij/zij bij mij binnenstappen en dan maakte ik meteen een praatje met de persoon in kwestie. Zo heb ik steeds de contacten met de medewerkers op peil kunnen houden.

 

MC: Je doctoraat, behaald in 1983, handelde over de arbeidsinspectie in België. Hoe kwam je op dit onderwerp ?

 

PP: Ja, dat was niet voor de hand liggend. En toch … Ik had bij de sociologen o.m. de keuzerichting arbeidssociologie gevolgd en de interesse voor de arbeidsinspectie vloeide daar logisch uit voort. Anderzijds was ik meer en meer geïnteresseerd geraakt in de politieorganisatie en de zgn. Bijzondere Inspectiediensten (BIDs), waarvan de arbeidsinspectie onderdeel uitmaakte, waren eveneens drager van de politiefunctie doordat zij processen-verbaal opmaakten, net zoals politiediensten, gericht aan het parket. Het domein van de BIDs heb ik doorheen mijn ganse academische loopbaan dan ook in het oog blijven houden. Het was een welgekomen aanvulling op politiestudies.

 

MC: Wie was je promotor en hoe was de persoonlijke en wetenschappelijke band met hem ?

 

PP: Mijn promotor werd wijlen Lode Van Outrive, die ook meer en meer geïnteresseerd was geraakt in het politiewezen. Ik werd bij hem kort na mijn afstuderen eerst wetenschappelijk medewerker, daarna assistent. Lode was een fenomeen. Sommigen vonden hem een moeilijk karakter en véél te kritisch. Ikzelf heb hem steeds ervaren als een empathisch klankbord. Hij las alles wat ik produceerde en gaf me gestaag en trouw feedback. Daar was ik erg gelukkig mee. Ik hoorde van collega’s dat het ook ‘anders’ kon lopen immers. Ik had ook een copromotor, met name Cyrille Fijnaut, met wie ik zowat zes jaar het kantoor deelde. Lode en Cyrille konden elkaar goed vinden, maar na verloop van tijd werd die relatie toch wat vertroebeld. Resultaat was dat de één “zus” wilde, de ander “zo”. Niet steeds makkelijk om daarmee om te gaan. Maar ik heb me steeds buiten die stammenoorlogen trachten te houden. Uiteindelijk lag het doctoraat er toch binnen het voorziene tijdspad. Dat was het belangrijkste.

 

MC: In je leven heb je meerdere werkgevers gekend. Was dit een evidente keuze en hoe verliep je toch ‘tegendraadse’ loopbaan ?

 

PP: ’t Ja, daar zeg je wat. Het spreekwoord zegt “twaalf ambachten en dertien ongelukken”. Ik heb steeds gedacht dat dat spreekwoord op mij toepasselijk was. Ik heb mijn arbeidscontracten doorheen mijn leven niet geteld, maar het moet dicht in de buurt liggen van het gezegde. Grosso modo heb ik nadat ik afzwaaide aan de KULeuven achtereenvolgens gewerkt voor Unicef, voor het progressief dagblad De Morgen als gerechtelijk journalist in de schoot van de politieke redactie, als UHD Rechtssociologie aan de VU in Amsterdam, als onderzoekcoördinator bij Binnenlandse Zaken, een tijdje in de privésector als consulent bij onder meer de doorlichting van de Belgische politie, als kabinetsmedewerker van toenmalig minister van Binnenlandse Zaken – Louis Tobback – waar ik meewerkte aan de voorbereiding van de latere politiehervorming, als afdelingshoofd van de dienst Politiebeleidsondersteuning (PBO) van de Algemene Politiesteundienst (APSD), waar we een hele ploeg wetenschappers aan het werk hebben gezet. Het ging om de uitbouw van een statistiek van de geregistreerde criminaliteit, een morfologie van de organisatie van de toenmalige diverse politiediensten, een statistiek met betrekking tot openbare ordehandhaving (incluis het hele voetbalgebeuren – remember het Heizeldrama –, een Belgische Veiligheidsmonitor, de uitbouw van het vijfhoeksoverleg, en nog veel meer. Ik heb wel wat verschillende dingen gedaan dus, maar steeds – daar was ik streng in –in lijn met mijn interesse in het criminologisch veld. Doorheen die verschillende betrekkingen heb ik onwaarschijnlijk veel gezien en ervaren dat me later van nut is geweest.

Op een blauwe maandag morgen vroeg wijlen collega Patrick Hebberecht, die doceerde aan UGent, of ik geen zin had om een cursus te geven aan zijn universiteit. Ik heb dat voor een klein percentage gedaan. In eerste instantie gaf ik rechtssociologie en politiestudies. Naarmate de tijd vorderde werd die leeropdracht steeds verder uitgebreid, tot ik voltijds overstapte naar UGent. Ik heb daar “Criminografie”, “Criminologie van de Strafrechtsbedeling”, “Financieel-Economische Criminaliteit”, “Methoden en Technieken van het Criminologisch Onderzoek”, “Criminologie van de Strafrechtsbedeling” en “Politionele en Gerechtelijke Organisatie” gegeven, naast mijn moedervakken van bij de start. Het is best mogelijk dat er ik wat vergeet. Wij waren generalisten in de ware betekenis van het woord, inzetbaar op het brede criminologisch spectrum. Dat was maar mogelijk, bedenk ik nu, omdat we een brede basisopleiding hadden genoten, waarop je kon terugvallen en vanwege de diverse beroepservaring.

 

MC: Je ongelooflijk boeiende en diverse loopbaan heeft je finaal naar de universiteiten geleid. Was je onmiddellijk de ‘professor politie’ aan de toenmalige Rijksuniversiteit Gent ?

 

PP: Neen dus. Ik heb steeds “Politiestudies” gegeven, maar daar bovenop tal van andere vakken. Hoewel ik eerlijkheidshalve moet toegeven dat politie me steeds het meest heeft gepassioneerd.

Het is niet toevallig dat ik uiteindelijk voorzitter ben geworden, in opvolging van wijlen Lode Van Outrive en Chris Eliaerts, van het toenmalige Centrum voor Politiestudies (nu Centre for Policing & Security), dat mensen uit de politiepraktijk en de wetenschappelijke wereld samenbracht. Het is ook in die periode dat we met een aantal witte raven zijn gestart met de kwartaalreeks Cahiers Politiestudies, dat zowel in Vlaanderen als in Nederland een ruim bereik heeft, en werkt met een double-blind reviewprocedure. Binnenkort verschijnt in die reeks nummer 75. Ik geef binnenkort het stokje door aan de nieuwe generatie. Vier nummers op jaarbasis maken van zowat 150 pagina’s elk, vanaf 2006 tot nu, kruipt niet in de kouwe kleren.

 

MC: Hoe ben je als ‘Leuvenaar’ in Gent terecht gekomen ?

 

PP: Na verloop van tijd werkten we samen, Patrick Hebberecht en ikzelf, in het kader van een zgn. “Steunpunt”, dat gefinancierd werd door Wetenschapsbeleid, met een pool op PBO van de APSD en de vakgroep Criminologie aan de UGent. Intussen kwam de politiehervorming er stilaan aan en ik had niet veel zin om een blauwe politiebaas boven mij te krijgen. Gelukkig kwam het voorstel vanwege de UGent er en heb ik de overstap gemaakt in 1998 om voltijds te doceren. Alles bijeen heb ik veertien jaar fulltime gewerkt aan de UGent. Het is zeer organisch gegaan dus.

Overigens vond ik de Gentse universiteit wel een leuke omgeving vanwege het uitgesproken pluralistisch karakter ervan. Je kwam er letterlijk vertegenwoordigers tegen uit het hele levensbeschouwelijke en politieke spectrum en mensen van heel diverse komaf. Dat heb ik altijd erg gekoesterd aan de Gentse uni.

 

MC: We hebben je nooit als lesgever gehad doch je wel al heel vaak mogen horen. Je staat er, je bent duidelijk en zeer interactief in je ‘discours’. Is dit je stijl ?

 

PP: Ja. Ik hou ervan studenten tijdens colleges of participanten op een studiedag een helder verhaal te brengen. Ik bereid dat ook steeds grondig voor, bedenk niet alleen wat de centrale boodschap moet zijn, maar ook hoe ik die het best overbreng. Ik heb, denk ik, de studenten steeds proberen actief te betrekken bij colleges, hoewel ik mettertijd moest vaststellen dat de interactie afnam. Dat had wellicht te maken met het feit dat er inderdaad steeds meer studenten de opleiding Criminologie gingen volgen en de auditoria werkelijk overval raakten. Zo heb ik een hele tijd het vak “Politiestudies” gedoceerd in het UFO-auditorium, dat overvol zat. Als ik nu bedenk dat er zowat 950 studenten zaten moet ik toch even slikken. Hoe kan je nog interactief les geven voor zo’n grote groep? Het is eerder een toneelspel dat je moet opvoeren dan werkelijk inzicht brengen en kritische zin aanscherpen. Na zo’n college van drie uur stond ik kliedernat van het zweet na te hijgen.

Ook zal dit wel tot op enige hoogte te maken hebben gehad met het feit dat gaandeweg een nieuwe generatie van studenten binnen stroomde. Minder theoretisch en ideologisch aangescherpt en niet langer gewoon om in discussie te gaan. Ze hadden daartoe niet de tools die nodig waren. Dat zal wel meegespeeld hebben, hoewel ik me daarvan op dat moment niet meteen bewust van was. Dat heb ik pas later begrepen.

 

MC: Veel van je oud-studenten kwamen ook in het werkveld terecht. In de academie, de advocatuur, de magistratuur, de politie, de inlichtingen-, veiligheids- en inspectiediensten, het gevangeniswezen, de forensische hulpverlening, de private veiligheid. Hield je contact met de oud-studenten en dit werkveld?

 

PP: Ja, in de mate dat dit mogelijk was, omwille van de “wet van de grote getallen”. Veel van de studenten die hun masterscriptie bij mij maakten heb ik later nog terug gezien. Maar … om eerlijk te zijn … was het gewoon onmogelijk om de hele groep te overzien.

Dat ligt heel anders bij diegenen die hun doctoraal proefschrift bij mij maakten. Het schrijven van zo’n PhD is een lang en intensief traject, waarin je mekaar beter leert kennen en waarderen. Dat vond ik echt geweldig om te doen. Het beste uit iemand halen. Veel van die mensen zie ik vandaag nog steeds. Ik noem hier liever geen namen, maar ze weten best wel wie ik bedoel.

 

MC: Professor Chris Eliaerts, verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel en ook een ‘significant other’[3], zei ons vaak: ‘Ponsaers is één van de beste criminologen van het land’. Is dit voor jezelf herkenbaar?

 

PP: Die uitspraak laat ik graag aan collega Eliaerts. Daar heb ikzelf weinig oordeel over. Ik heb steeds de beste relaties gehad met de collega’s van VUB, waarmee onze toenmalige onderzoeksgroep “Sociale Veiligheidsanalyse” overigens een institutioneel samenwerkingsverband heeft uitgebouwd. Ik heb steeds getracht die provinciale “kapelletjes” in Vlaanderen én Wallonië te slopen. Maar ook dat werd niet steeds in dank afgenomen. Was dat hetgeen Chris ertoe bracht deze uitspraak te doen? Ik weet het niet. Eerlijk.

Wat er ook van moge wezen, ook jij Marc, bent je academische loopbaan begonnen aan de VUB en ik heb toch meegewerkt aan het aantrekken van jou aan UGent. Zo hoort dat. Academici moeten bruggenbouwers zijn, geen architecten van ravijnen. Daarvan ben ik overtuigd.

 

MC: Welke stenen heb je in de ‘Vlaamse’ criminologische rivier kunnen verleggen ?

 

PP: Geen. Ik lig daar niet echt van wakker. De bijdrage van een individu aan een wetenschap is nauwelijks meetbaar. Ook stenen eroderen immers mettertijd als er genoeg water door de rivier loopt. Dat neemt niet weg dat ik op een aantal zaken wel trots ben, maar dat is wat anders. Dat gaat over persoonlijke voldoening, niet zozeer over “stenen verleggen”.

Zo publiceerde ik met Elke Devroe en Adam Edwards het boek Policing European Metropolises[4] in 2017, vijf jaar nadat ik op emeritaat ging. Het bracht aardig wat lijntjes samen die ik had gesponnen tijdens mijn academische loopbaan. Achteraf gezien ben ik daar heel gelukkig mee, met dat boek. Het is deels een synthese van mijn wetenschappelijk werk.

Hetzelfde gevoel heb ik met een aantal teksten uit het verdere verleden die mij blijven achtervolgen. Zo is er een artikel[5] uit 2001 over Community Policing (COP) waarvan Researchgate me nog steeds maandelijks weet te melden dat het wordt geciteerd in tal publicaties van andere criminologen. Rond COP heb ik wetenschappelijk veel gewerkt en het is dan echt wel fijn om te merken dat er anderen zijn die dat hebben opgepikt. Tot in de politiepraktijk heb ik daarmee toch wat voetsporen achtergelaten, zoals het schrijven van een omzendbrief van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken[6], Antoine Duquesne, die daarmee de Belgische politiefilosofie in die lijn legde.

 

MC: Je was ook internationaal actief en je schreef vlot in het Frans en in het Engels wetenschappelijke stukken. Hadden deze internationale engagementen een meerwaarde voor jou ?

 

PP: Ja, zeer zeker. Ik ben steeds erg actief geweest in de schoot van de European Society of Criminology (ESC). Wat is er leuker dan geestesgenoten te ontmoeten en te merken dat aan de andere kant van de aardbol mensen worstelen met gelijkaardige vraagstukken? Zo kom je los uit het provincialisme en open je nieuwe horizonten. Veel van hen volg ik nog steeds via hun publicaties. Maar – ik moet het toegeven – louter mekaar leren kennen via papier of internet, is minder boeiend. Ik vind het fijn om de mens te leren kennen achter een tekst en vanuit zijn referentiekader te begrijpen wat hem triggert en dat dan te confronteren met mijn eigen denken. Het is daaruit dat reële interactie en inzicht voortvloeit, denk ik dan.

 

MC: Je hebt heel wat collega’s ontmoet. Aan welke hou je meer dan goede herinneringen over ?

 

PP: Er zijn er heel wat. Maar iemand als Gerben Bruinsma, voormalig hoofd van het NSCR, heb ik steeds een innemende persoon gevonden. Erudiet en empathisch. Het is zelden dat die eigenschappen samen voorkomen. Het is bijzonder jammer dat hij ons heeft moeten verlaten. Maar er zijn er zoveel dat ik liever geen namen noem. Ik vergeet er immers onvermijdelijk.

 

MC: Je was en bent een veelschrijver. Aan hoeveel publicaties zit je nu ?

 

PP: Ja, ik hou van schrijven. Zit me nu eenmaal in het bloed. Ik heb ze ooit eens geteld en ik kwam uit boven de 600 artikels, hoofdstukken of boeken, abstractie makend van hetgeen ik schreef tijdens mijn journalistieke periode. Let wel, daar zitten tal van “gelegenheidsbijdragen” bij hoor. Maar toch ook wel een aantal die vandaag nog steeds hout snijden. Diegenen die willen kunnen mijn bibliografie raadplegen op mijn webstek (https://ponsaers.be). De meeste stukken die ik schreef zijn daar trouwens downloadbaar en ik merk dat er door de jonge generatie gretig gebruik van wordt gemaakt. Dat vind ik wel fijn. Maar ik heb nooit echt geloof gehecht aan het spreekwoord “wie schrijft die blijft”. Veel van onze productie gaat op in de grote massa. Diegene die denkt dat hij/zij onsterfelijk zal worden door te schrijven moet ik meteen teleurstellen. Zo werkt het niet.


MC: Hebben de jongere criminologen nog tijd om dit gelezen te krijgen ? Of moet een criminoloog vandaag eerder een specialist dan wel een generalist worden ?

 

PP: Het criminologisch domein is zodanig verkaveld geraakt. Of beter,  ontploft in duizenden kleine niches. Het is nauwelijks nog te overzien door één persoon. Daar komt bij dat de universitaire setting aanstuurt op verdergaande specialisatie. Tal van jonge collega’s doen onderzoek op de oppervlakte van een postzegel intussen. Daar zijn ze onwaarschijnlijk bekwaam en gespecialiseerd in, maar ze zijn (noodgedwongen) het totaalzicht op het criminologisch speelveld kwijt. Onze generatie (ik bedoel: die van jou en mij) had nog enigszins generalistische aspiraties. Dat is vandaag in grote mate teloor gegaan. Dat vind ik wel jammer, omdat daarmee ook de meer theoretische invalshoek is verschrompeld geraakt. De tijd van de grote “stromingen” (etiologie, symbolisch interactionisme, structuralisme, …) is voorbij. Vandaag bestaat de criminologie uit duizenden verweesde middle-range theorieën, die gelden voor afgebakende onderzoekdomeinen. Er zijn nog een paar “grote verhalen”, à la Garland, Giddens of Foucault, maar die zijn zodanig algemeen dat ze dan weer voldoende empirisch substraat missen.

 

MC: De Gentse criminologie heeft altijd op twee benen gestaan. Een eerder kritische theoretische en een beleidsondersteunende dan wel -gerichte interesse. Je beheerste beide aspecten van het wetenschappelijk bedrijf als geen andere collega. Naar welke insteek ging finaal je voorkeur uit ?

 

PP: Om heel eerlijk te zijn vind ik een kritisch-theoretische benadering het meest aantrekkelijk. Zo’n benadering geeft je een breed speelveld om innoverend werk te doen. Je moet je ook niet bekommeren om een eventuele vertaalslag naar beleidsmatige consequenties. Het geeft de meeste mentale ruimte gewoon.

Maar je hebt gelijk, veel van het werk dat ik deed was beleidsondersteunend. Ik moet daar niet flauw over doen. Gaandeweg heb ik geleerd beter te begrijpen wat het beleid nodig heeft en hoe je dat vertaalt in zinvol onderzoekswerk waaruit lessen kunnen getrokken worden voor de toekomst. Dat is beperkend, maar tezelfdertijd kan het ontstellend maatschappelijk relevant zijn. Het is maar hoe je het bekijkt.

 

MC: Vandaag is de kritische criminologie en bij uitbreiding de culturele criminologie nog steeds aan de orde in Gent. We vinden hierin het gegeven ‘betekenis’ enorm belangrijk. Als we terug gaan naar je journalistiek werk handelde dit vooral over extreemrechts politiek geweld en de ‘zogenaamde’ Bende van Nijvel. Hoe heb je deze thema’s blijvend in je academisch werk kunnen plaatsen ?

 

PP: Het is gewoon erg aangenaam om te schrijven voor een lezerspubliek dat geïnteresseerd is in het onderwerp dat je aansnijdt als auteur. Het is fijn om appél te doen op de oorspronkelijke betekenisgeving die lezers eraan hechten en dan met de lezer een reis doorheen een onderwerp te maken, om op het einde van het verhaal vast te stellen dat die uiteindelijke betekenis niet helemaal overeenkomt met het betekenis die overheerste bij de start. Noem het een pedagogisch project zo je wil. Het gaat er in dat soort werk om de realiteit te “ontbolsteren”, als een ui te ontdoen van de verschillende schillen om tot bij de kern te raken. Je neemt als het ware de lezer bij de hand op een ontdekkingstocht. Het is wel tijdrovend om zo te werken, maar het geeft best wel wat voldoening. De “proof of the pudding” komt op het moment dat je het manuscript laat lezen door een collega die er met een kritisch oog doorheen gaat en zijn commentaren geeft. Niet zelden moet je dan terug aan het werk omdat je merkt dat je te snelle stappen hebt gemaakt in bepaalde passages of teveel belang hebt gehecht aan specifieke details ten koste van het grotere geheel. Het is kortom een écht iteratief proces.

 

MC: Je boeken, of ook al stel je zelf ‘boekjes’, die je na je emeritaat schreef, gaan naar onze mening terug naar deze interessedomeinen. We denken aan de publicaties: ‘Jihadi’s in België. De route naar Zaventem en Maalbeek’ (2017), ‘De Loden jaren. De Bende van Nijvel gekaderd’ (2018), ‘Terrorisme in België. Polarisering en politiek geweld’ (2020) en ‘Het terreurproces van Parijs (2022). Is dit zo ?

 

PP: Ja. Ik ben de laatste jaren meer en meer geboeid door politiek geweld, wetende dat ik daarmee geen van de jongere collega’s voor de voeten loop. Ik stel mezelf dan de vraag hoe mensen komen tot gewelddadig extremisme en hoe zo’n proces vorm krijgt. Merkwaardig is dat extremisme in veel verschillende gedaanten kan verschijnen, religieus-, links- of rechts, maar ten gronde zie je dat “daders” van politiek geweld steeds verder wegdrijven van de sociale realiteit en zich terugtrekken in een kernbolster van gelijkgestemden. Het heeft best wel veel weg van een sekte. Zij worden doof en blind voor datgene dat zich buiten die bolster  afspeelt. Tot zij op het punt komen dat ze overgaan tot de “passage à l’acte”. Tegen die tijd is het beeld van de vijand totaal versteend en ontdaan van alle menselijke trekken. Op dat punt gekomen is er in veel gevallen geen weg meer terug. Er bestaat geen continuüm meer tussen goed of kwaad, vriend of vijand. Men is voor of tegen en al wie tegen is, is vijand. Dat is de ware terroristische logica: “klare Fronten schaffen”, zoals de Rote Armee Fraktion het stelde.

 

MC: We hebben ze gelezen en je hang naar details zoals: namen, data en plaatsen is fenomenaal. Heeft de journalist ‘PP’ het gewonnen van de ‘professor Paul Ponsaers’ ? Of zijn ze een noodzakelijke siamese tweeling om tot gedegen publicaties te komen ?

 

PP: Ik heb daar nooit zo over nagedacht. Ik ben wie ik ben, en ik ben - denk ik - alsnog geen gespleten persoonlijkheid. Data zijn belangrijk trouwens. Zij laten toe om gebeurtenissen in een chronologie te plaatsen, zodat hogergenoemd proces kan gereconstrueerd worden op een verifieerbare manier. En ik geef het grif toe, het is ook een manier om de lezer houvast te bieden tijdens de lectuur. Ik hou er niet van lezers te confronteren met een blinde vlek in hun geheugen. Invulling geven aan datgene dat verondersteld wordt “gekend” te zijn is soms nodig om de lezer niet kwijt te spelen. De boeken die ik vandaag maak zijn dan ook niet langer bedoeld voor de “inner circle” van criminologen, maar ik schrijf voor een breed publiek. Dan moet je soms wat explicieter zijn. Zo is dat nu eenmaal.

 

MC: Komt er nog een boek in die context aan en zo ja wanneer ?

 

PP: Ja natuurlijk. Schrijven is mijn passie. Ik werk momenteel aan een boek over de Belgische Cellules Communistes Combattantes, ook kortweg CCC genoemd. Het gaat over een extreemlinkse subcultuur die nauwelijks of niet groeide uit een historische organisatie, onder invloed van Mei ’68 (zie hoger) en verstarde in een anachronistisch marxistisch-leninistisch discours, overgoten met een maoïstische saus. Het is dan ook verbazingwekkend dat een aantal van hen, nadat ze werden opgepakt en veroordeeld tot levenslang en na hun detentieperiode (ze zaten uiteindelijk 15 jaar), vandaag nog steeds hetzelfde discours voeren. Heel de wereld is intussen veranderd, maar hun discours is volkomen overeind gebleven.

Het boek zou er op 1 mei 2025 moeten liggen, veertig jaar nadat bij een bomaanslag op het Verbond der Belgische Ondernemingen (VBO) twee brandweerlui omkwamen.

 

MC: Op het einde van je wetenschappelijke opdracht brak ook de culturele criminologie door in Nederland en in België. Is dit voor jou een nieuwe benadering ?

 

PP: Neen. Uiteraard staat het begrip “cultuur” centraal in deze benadering. Cultuur is dan het geheel aan waarden en normen die gedeeld worden in een samenleving. Het gaat hier met andere woorden om de verinnerlijkte richtsnoeren die mijn handelen vorm geven.

Als socioloog plaats ik spontaan “cultuur” tegenover “structuur”. Dat is me steeds zo aangeleerd. “Structuur” zijn dan de maatschappelijke organisaties, statelijke organen, e.d.m. die buiten mezelf liggen en mijn handelen eveneens mee vorm geven.

Ieder mens zal wel op de één of andere manier beïnvloed zijn door deze dialoog tussen cultuur en structuur denk ik. Dat emotie mede mijn handelen bepaalt, daarvan ben ik overtuigd. So far so good. Maar ik ben als socioloog toch eerder geneigd naar structurele factoren op zoek te gaan. Het is niet toevallig dat mijn PhD een structuralistische analyse was.

Ook vraag ik me af tot op welke hoogte de culturele criminologie in essentie niet voortvloeit uit het symbolisch interactionisme, de labelling- en etiketteringstheorie. Het is al wel een tijd geleden dat Howard Becker zijn “Outsiders” schreef. Dat was in 1963, alles samen meer dan zestig jaar geleden. Echt nieuw kun je deze denkbeelden niet noemen, hetgeen natuurlijk (integendeel) niets afdoet van de waarde ervan. Veel culturele criminologen vragen zichzelf af trouwens of zij wel behoren tot een nieuwe stroming.

 

MC: Hoe zou je deze recente publicaties plaatsen binnen de culturele criminologie ? Of nog anders, welk van deze boeken moet een jonge culturele criminoloog zeker lezen ?

 

PP: Ik hou ervan in de tijd te reizen. “Loden Jaren. De Bende van Nijvel gekaderd” speelt zich af in de Belgische jaren 80. Het hele maatschappelijke weefsel was in die periode fundamenteel anders dan vandaag. Als (oude) tijdsgetuige is het fijn om die reis terug te maken en aan jonge generaties toe te lichten hoe men keek tijdens die jaren naar fenomenen als private milities of politiek geweld.

Mag ik suggereren 1 mei 2025 af te wachten om het nieuwe boek ter hand te nemen over de CCC als je over polarisering tussen links en rechts meer wil vernemen? Ik heb aan het manuscript lang en gestaag gewerkt en denk dat het best wel wat inzicht biedt aan jonge culturele criminologen.

 

MC: Hoe keek en kijk je aan tegen de titel van je ‘Liber Amicorum Paul Ponsaers’: ‘Tegendraadse Criminologie’ ? Of nog, hoe tegendraads was je ?

 

PP: Ik kijk er met veel trots op terug. Het doet wel wat als je zo’n boek krijgt met meer dan veertig bijdragen van vrienden en collegae die op een erg persoonlijke manier ingaan op jouw leven. Zeker als één van die collegae schrijft over Joseph Fouché en Eugene-Francois Vidocq, dan weet je dat de auteur precies weet waar jouw interessepunten liggen.

En ja, ik ben en was tegendraads, dat is zo. Meelopen met een makke kudde is echt niet mijn ding. Maar ik zal mijn mening steeds zeggen op een respectvolle manier. Ook een ander zijn mening is immers waardevol.

 

MC: En nu een laatste en misschien wel persoonlijke vraag. Je trouwe en zeer intelligente partner, zelf een doctor in de criminologie, Elke Devroe is steeds aanwezig geweest in je persoonlijke en professionele leven. Hoe doe je dat met twee intellectuele criminologen in huis ?

 

PP: ’t Ja, dat is gewoon fantastisch. De vele keren dat we met elkaar in debat zijn gegaan over tal van diverse onderwerpen is navenant. Niet zelden knetterde het, én leidde het tot het gemeenschappelijk schrijven van een artikel. Elke is mijn alter ego, en tezelfdertijd mijn beschermengel.

 

MC: Beste Paul, Professor en vriend. We danken je van harte voor dit gesprek.


[1] Devroe, E., Pauwels, L., Verhage, A., Easton, M., Cools, M., (red.), 2012. Liber Amicorum Paul Ponsaers. Tegendraadse Criminologie, Antwerpen, Maklu, 544p.

[2] Ponsaers, P. (2017). Jihadi's in België, De route naar Zaventem en Maalbeek, Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, pp. 252; Ponsaers, P. (2018). Loden jaren. De Bende van Nijvel gekaderd, Oud-Turnhout / ’s-Hertogenbosch: Gompel & Svacina, pp. 420; Ponsaers, P. (2020). Terrorisme in België. Polarisering en politiek geweld. Oud-Turnhout / ’s-Hertogenbosch: Gompel & Svacina, pp. 326; Ponsaers, p. (2020). Haatzaaiers, Extreemrechtse Radicalisering. Oud-Turnhout / 's-Hertogenbosch: Gompel & Svacina, pp. 244; Ponsaers, P. (2021). Georganiseerde Wanorde, Rechts-extremisme in Vlaanderen 2019-2021, Oud-Turnhout / 's-Hertogenbosch: Gompel & Svacina, pp. 175; Ponsaers, P. (2022).Het terreurproces van Parijs, Oud-Turnhout / 's-Hertogenbosch: Gompel & Svacina, p. 378.

[3] Cools, M., (2021). ‘Nog steeds tussen kritiek en realisme ? Chris Eliaerts over criminologie’, in Schuilenburg, M., Siegel, D. (red.), Significant others in de culturele criminologie, Den Haag, Boom criminologie, 101 – 114.

[4] Devroe, E., Edwards, A., Ponsaers, P. (eds.) (2017). Policing European Metropolises, The Politics of Security in City-Regions, London and New York: Routledge, pp. 343.

[5] Ponsaers, P. (2001). “Reading about ‘community (oriented) policing’ and police models”, Policing : An International Journal of Police Strategies & Management, Vol. 24, n°4, 470-496.

[6] Omzendbrief CP 1 van 27 mei 2003 betreffende Community Policing, definitie van de Belgische interpretatie van toepassing op de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (Publicatie 09-07-2003, dossiernr. 2003-05-27/38)